kop-limburg
Op zaterdag 28 april vond onze busreis naar Limburg plaats. Afspraak op den Hoogen Pad te Adegem. Iedereen was mooi op tijd. Om halfacht stipt kon de bus vertrekken met 51 enthousiaste mensen. Ook 2 afgetrainde waakhonden, streng opgeleid door een voormalig rijkswachter, garandeerden onze veiligheid.
Al te Adegem rijden we de autosnelweg “N9” op naar Aalter. Alwaar we netjes de E40 oprijden richting Luik. Tijdens de doorreis kunnen we ons versterken aan een stevig ontbijt. De sandwiches met beleg, vergezeld met een tasje koffie worden zeer gesmaakt. Voldoende energie opdoen voor de vele trappen en kilometers die in het verschiet liggen. Twee interessante locaties zullen we van dichtbij leren kennen. Namelijk de Blegny mijn en het fort Eben-Emael.

Eerst komt de mijn te Blegny aan de beurt. De mijn is gelegen tussen Luik en Maastricht. Het is één van de vier authentieke koolmijnen in Europa waar de ondergrondse galerijen via de oorspronkelijke schacht nog toegankelijk zijn voor bezoekers. Sedert 2012 wordt deze mijn erkend als Wereldpatrimonium door UNESCO.

De mijn heeft twee schachten die tot 8 niveaus omlaag reiken, met een diepste punt van 530 m. Alleen niveau 1 en 2 (op -30 m en -60 m) staan nog boven het grondwater. Deze twee niveau’s zullen wij bezoeken.
Ons bezoek begint met een film die ons de 300 miljoen jaar oude geschiedenis van de "zwarte steen" vertelt. Met de tijden werden vele planten -en boomresten bedekt door steen, bodem en water. Deze lagen werden samengeperst, verhardden en veranderden in steenkool. Al 800 jaar lang haalde de mens hier die kool naar boven. Op kleine schaal echter. Met de industriële revolutie ontgon men steeds meer en meer.

Na de inleidende film staan twee gidsen voor ons klaar. Ons reisgezelschap wordt in twee gesplitst. Wij mogen met gids Bruno mee. Bruno is gekleed als een echte kompel. Ook wij trekken jas aan en zetten een helm op. Voor we afdalen vertelt onze gids over het principe van het opwekken van energie. Dit kan gebeuren via een kerncentrale, wind, water, zon… Maar ook door het verbranden van steenkool! Meer dan 40 % van de opgewekte energie op aarde wordt nog op deze manier geproduceerd. Jammergenoeg is deze fossiele brandstof erg belastend voor het milieu. Naast de mijn ligt de terril van Blegny, met een hoogte van 43 m. Deze terril bestaat in feite uit alle steenafval die uit de mijn kwam. Deze grote heuvel is nu bedekt met struiken en bomen. Ook de mijngebouwen zelf zijn best indrukwekkend en architecturaal erg interessant.

Per 12 personen, opeengepakt als sardientjes, dalen we met de lifkooi af naar -30 meter. Zo komen wij in de hoofdgang. Hier licht Bruno ons in over de zware werkomstandigheden en de vele gevaren die de mijnbouw met zich meebrengt. Ook voor het methaangas dat dikwijls vrijkomt bij het ontginnen van steenkool moesten oplossingen gezocht worden. Daarvoor werden o.a. kanaries gebruikt. Als zij van hun stokje vielen, was het gevaar heel dichtbij. Later gebruikte men lampen. Waneer de vlam blauw kleurde werd er alarm geslagen.

Er werd perslucht gebruikt om de machines en drilboren te laten werken. Wanneer wij ter demonstratie het lawaai horen van deze fluitende perslucht en daverende machinerie beseffen we hoe zwaar het gehoor van de arbeiders hier onder leed. Zij mochten zelfs geen gehoorbescherming dragen. Zij moesten immers altijd de stem van hun collega’s horen, en de “geluiden van de mijn”. Zodat, bij instorting, ze op tijd de benen konden nemen.
Dan komen we aan bij het einde van de gang. Daar zijn we getuige van een koolsteenlaag in de wand. Deze koolsteenlagen zijn maximal 90 cm breed. De arbeiders kapten deze koolsteenlagen uit en persten zich in die kleine sleuven om al kruipend dieper, en dieper te kappen.
Dit in het aardedonker, met veel stof, vochtigheid, en een onnatuurlijke positie van het lichaam. Dag na dag. Jaar in, jaar uit. Ook paarden behoorden tot de ongelukkigen. Omgekeerd hangend aan hun benen, werden zij in de mijn gebracht. Ze zouden het daglicht nooit meer zien. Alleen het hard labeur en de vochtige duisternis waren hen nu nog toebedeeld.
Eind 19de eeuw was ook kinderarbeid nog de regel. Vanaf 4 jaar werden jonge kinderen ingezet in de mijn. Dit om de karren te duwen en om de kleinste sleuven te ontginnen.

Het allergrootste drama is dat tot op de dag van vandaag nog altijd kinderen worden ingezet in de mijnbouw. Dit in ontwikkelingslanden, maar ook in snel moderniserende streken.
Laat ons toch eens bezinnen over het feit dat wij het toch zo goed hebben in ons Belgenlandje. En dat wij vorige generaties zo dankbaar mogen zijn voor hun hard labeur. Wij plukken de vruchten van de welvaart, die groeiden uit hun arbeid.

Dan dalen wij een trap af naar het niveau -60 meter. Rechts van de trap zien wij zo’n steenkoolader die al kruipend en wroetend ontgonnen werd.
Onder de indruk begeven we ons uiteindelijk naar de liftkooi en nemen afscheid van het ondergrondse. Wanneer de zon ons gezicht opnieuw beschijnt is het toch even knipperen en wennen.

Als we met de liftkooi bij de sorteer –en wasinstallaties komen, worden we begroet door de heilige Barbara. Dit is de beeltenis van de patroonheilige van verschillende gevaarlijke beroepen. Zoals de mijnwerkers, maar ook van de infanteristen en de genisten in het leger!
Nu kunnen we de geheimen van de sorteer- en wasinstallaties ontdekken. Diverse handelingen worden getoond : de aanvoerwagens, de zeven, de laadtrechters, het systeem van laden en lossen van de mijnwagens, het zuiveringsproces, de wasserij en de opslag. Vooraleer we ons bezoek beëindigen aanschouwen we nog een licht –en klankspektakel.
Dit als ode aan ware helden. De mijnwerkers.
Als aandenken krijgen we nog een brokje steenkool mee. Een klompje dat ik zal bijhouden. Een klompje met een lange geschiedenis en een groot verhaal.

Op de site zelf nuttigen we het middagmaal. Mét honger na de uitgebreide rondleiding laten we ons de dagsoep en frietjes met kippenbil smaken. Als dessert een zoete gebakken Saint-Remy peer. Kort daarna begeven we ons naar de bus. Onze Top Organisator Filip heeft stress vanwege het strakke tijdsschema. Maar uiteindelijk komen wij toch vlotjes aan bij de volgende bestemming. Het fort Eben-Emael.

Bij aankomst wacht de waarnemend commandant van het fort ons al op. Dit aan het monument die de slachtoffers van het zinloos oorlogsgeweld in deze regio herdenkt. Onze voorzitter neemt het woord en salueert samen met Willy terwijl de Last Post weerklinkt. Rudi en ik mogen de Vaandels dragen. Filip mag met gepaste trots een aandenken van onze vereniging aan de commandant overhandigen.
Daarna worden we door de gidsen in 2 groepen verdeeld. Wegens de korte tijdspanne belooft onze gids Hugo ons toch de belangrijkste locaties te tonen, en de essentie van de historie van het fort te vertellen. Uit ons bezoek onder leiding van Hugo onthouden we het volgende:

Het Belgisch leger plantte deze kolos neer in de periode 1932-1935 om een zwak punt in de Belgische defensie tegenover Duitsland te versterken. Dit waren de invalswegen in de buurt van Maastricht. Ook werd dit “le boulevard Berlin-Paris” genoemd. Doorheen België de gemakkelijkste manier om vanuit Berlijn Parijs te bereiken.

Het fort is uitgegraven in een mergelheuvel met behulp van ervaring uit de mijnbouw. De totale oppervlakte van het militair domein van het fort beslaat 75 ha of 150 voetbalvelden. Eben-Emael is daarmee het grootste Belgische fort en één van de grootste fortificaties van Europa. Aan de oostzijde van het fort doorsnijdt het Albertkanaal de mergelheuvel waardoor er mergelwanden ontstonden met quasi verticale muren tot 60 meter hoog. Langs deze verticale muren stroomt dus het Albertkanaal en iets verder de Maas. Met andere woorden: een sterke natuurlijke verdediging om een grondaanval vanuit Duitsland af te slaan. In het noordwesten werd deze grondverdediging aangevuld door een watergracht, terwijl het gebied erlangs onder water gezet kon worden. In het zuiden werd een droge antitankgracht gegraven. Deze grondverdediging werd verder aangevuld met prikkeldraadversperringen tot 6 meter diep en met antitankobstakels.
In de mergelberg werd een ondergrondse kazerne gebouwd. Een ondergrondse stad die een garnizoen van 1200 manschappen een beleg moest laten doorstaan. Dit met slaapzalen, keuken, machinekamer, douches, waszalen, hospitaal, waterput, voorraadkamers, enz. Een indrukwekkend tunnelstelsel van in totaal 5,5 km verbindt alle bunkers met elkaar. Wij zullen aan den lijve ondervinden dat het aantal trappen en de lengte van de tunnels letterlijk adembenemend is.
Militaire experts van verschillende landen waren het er op het einde van de jaren 1930 over eens. Dit was één van de sterkste forten van Europa. Er was slechts één woord om het te typeren: onneembaar!

Daarom zocht de Duitse legerleiding naar oplossingen om het fort in te nemen. Een traditionele grondaanval met artillerie en infanterie kostte veel tijd, materiaal en manschappen, terwijl de Duitsers net een snelle doorbraak wilde forceren. Een gedurfd plan werd ontwikkeld. Ze gebruikten daarbij 3 nieuwe uitvindingen. Deze 3 innovaties waren nog nooit gebruikt maar zouden de sleutel tot succes vormen.

Namelijk ten eerste het gebruik van zweefvliegtuigen. Zweefvliegtuigen boden ten opzichte van een reguliere aanval met parachutisten het voordeel dat de aanval bij verrassing zou kunnen verlopen. De motoren van de transporttoestellen die bij een parachutistenaanval nodig waren zouden de verdedigers kunnen alarmeren. Bovendien zouden de parachutisten dankzij de zweefvliegtuigen in groepjes neerkomen, zodat onmiddellijk met een aanval gestart kon worden. De zweefvliegtuigen konden eveneens het materiaal voor de parachutisten geconcentreerd vervoeren. Op 10 mei 1940 zetten deze toestellen, s’ochtends in het schemerdonker, een elite-eenheid neer op het bovenplateau van het fort. Een officiële oorlogsverklaring was er niet. De verrassing was compleet. Aan drie bruggen over het Albertkanaal, even ten noorden van het fort, landden eveneens zweefvliegtuigen. Twee belangrijke bruggen werden ingenomen. Tegenaanvallen mochten niet baten.

Ten tweede de elite-troepen “Fallschirmjäger”. In feite waren dit de allereerste paracommando’s. Met slechts 86 man leidden en voerden ze deze operatie uit.
De individuele opleiding was perfect. Dit waren getrainde atleten. Ze konden met alle vreemde wapens omgaan. Ze leerden hoe de Belgische openbare diensten werkten. Ze konden zelfs een Belgische tram besturen. De piloten van de zweefvliegtuigen – waarvan verschillende hadden deelgenomen aan het sportzweefvliegen en daarbij kampioenschappen hadden gewonnen – moesten training na training volgen. Bijna alle zweefvliegtuigen landden op hun positie. Om het verrassingseffect te waarborgen was geheimhouding uiterst belangrijk. De naam van het fort bleef zelfs geheim voor de Fallschirmjäger tot op het moment van inname. De manschappen leefden gedurende hun opleiding als gevangenen. Ze kregen geen post, en hadden geen contact met andere Duitse eenheden. Ook alle herkenningstekens op de uniformen waren tijdens de opleiding verwijderd.
De bewapening van de Duitse Fallschirmjäger bestond uit machinegeweren, pistolen, karabijnen, vlammenwerpers, speciale handgranaten, opvouwbare ladders en lichtsignalen. Ze konden al deze wapens en hulpmiddelen hanteren. Vele van deze soldaten zouden later sneuvelen bij de luchtlandingsoperatie op Kreta in 1941.

Ten derde was er de holle lading. Dit was een nieuw type van explosieven waarvan de zwaarste 50 kg woog. Die 50 kg bestond uit twee delen vanwege de praktisch toepasbaarheid in het veld. Elk deel bevatte TNT als springstof. In het onderste deel zat de holte.
Het principe van de hollading ligt in de geometrie van het springtuig. Als de lading ontploft zal een deel van de explosiekrachten samenkomen in het middelpunt van de bol. Hiermee werd de explosie geconcentreerd op 1 punt. In de praktijk kon dit wapen door 25 cm staal of door 35 cm beton heen slaan. Dit betekende dus dat men explosieven met een véél grotere specifieke inslag had ontwikkeld. Ideaal om te plaatsen op de observatieposten en kazematten van het fort, én daarmee deze direct te neutraliseren.
Razendsnel maakten de Duitsers gebruik van deze nieuwe technologie. In ongeveer een kwartier tijd werden de meeste bunkers uitgeschakeld.
Hugo leidt ons naar een observatiepost waar zo’n inslag plaatsvond. Werkelijk de ganse trap is verwrongen staal. Daarenboven is een zware stalen deur als het ware ingebeukt door de schokgolf. De Duitsers plaatsten hun laatste holle lading tegen een andere deur, en lieten die ontploffen. Dit om de technologie niet prijs te geven aan de geallieerden. Deze deur werd volledig weggeblazen. Daarbij werd ook toevallig ontsmettingsmiddel met chloor mee het fort ingeblazen. Daardoor dacht de Belgische commandant verkeerdelijk dat men gifgas (chloorgas) gebruikte. Waarop hij van mening was dat het fort helemaal verloren was. En zo zichzelf en zijn manschappen overgaf .

Met Hugo bezoeken we, als laatste locatie, de kazemat Visé 1. Deze werd gedurende 24 uur bezet gehouden door de Duitse para’s. We zien 3 indrukwekkende 75 mm. kanonnen. Deze hadden een bereik van 10 km. Doordat deze kanonnen veroverd waren, konden deze dus niet schieten op de Duitse infanterie en tanks die op weg waren om het fort volledig te omsingelen. Aan elk kanon was een rond gat in de vloer. Dit om de hulzen van de afgeschoten granaten een verdieping lager te laten vallen. Daar konden deze afkoelen en uitroken. Ook die opslagkamers kunnen wij eens bekijken.

Het fort heeft zich omstreeks het middaguur op zaterdag 11 mei 1940 overgegeven omdat de toestand kritiek was geworden. Vele bunkers waren uitgeschakeld. Het fort was inmiddels volledig omsingeld door Duitse grondtroepen en het garnizoen was danig onder de indruk van de indrukwekkende impact van de nieuwe Duitse explosieven, die een vernietigend effect hadden en velen hadden gedood of zwaar verwond. Het zorgde voor een kletterende Duitse overwinning. Deze zege werd uitvoerig gebruikt in de Duitse oorlogspropaganda.

Het Duitse succes in Eben-Emael was er één op verschillende vlakken. Niet alleen betekende het de doorbraak van de Albertkanaalstelling. Het gaf de Belgen en de geallieerden ook een psychologische opdoffer en de Duitsers een enorme steun. Het sterkste fort van Europa werd in een mum van tijd uitgeschakeld. Bovendien had de doorbraak een breder, strategisch effect. Zoals voorzien zoog het de Franse en Britse troepen naar het Belgische binnenland en werd de weg vrijgemaakt voor de Duitse aanval door de Ardennen. Het resultaat is bekend. De geallieerde troepen werden in België omsingeld en rond Duinkerke en Calais samengedrukt.

We wandelen uiteindelijk door de lange tunnels naar de uitgang. Daar zien we bij de receptie en het museumwinkeltje ons NVOBS aandenken al staan pronken. Filip heeft toch weer een mooi ontwerp gemaakt!

Eenmaal op de bus rijden we nog zo’n 10 minuten om aan te komen bij het sfeervolle koffiehuis “In Kanne en Kruike”. Daar kunnen wij nog genieten van een lekkere broodmaaltijd en mogen proeven van de Limburgse Vlaai. Dit met keuze uit 5 soorten.
Dan is het tijd om de laatste etappe van onze busreis af te leggen. Terug naar Adegem. We kunnen werkelijk genieten van een mooie zonsondergang. Met dit tanende licht en het zien van het schitterende golvende landschap kunnen we onze ervaringen laten bezinken. Ook krijgt ieder twee postkaarten als aandenken aan deze mooie dag. Tijdens de terugreis worden er nog 6 flessen wijn verloot.

Graag wil ik iedereen bedanken die met ons meereisde. Zowel organisatoren, de chauffeur als onze leden.
Oudere leden die het soms moeilijk hadden met de vele trappen en de lange afstanden wil ik speciaal bedanken.
Dit vanwege jullie grote inspanning en inzet om met ons mee te reizen. In een echte vereniging draagt men zorg voor elkaar. Wij zijn zo’n vereniging. Laat jullie daarom niet afschrikken door onze evenementen. We zijn er om elkaar te helpen. En we zullen dit altijd van harte doen!

tekst: Francis Dombrecht